Schijnwerpers!

De Noord-Veluwe, een mooi stuk Nederland dat het verdient om de schijnwerpers op te zetten. Een regio waar bewoners zich actief inzetten voor het leefbaar houden van hun eigen omgeving. Zij organiseren culturele activiteiten met de kwaliteit van de lokale betrokkenheid. De culturele onderwijsprojecten zorgen voor het tot bloei laten komen van de culturele interesse van leerlingen.

Bekijk meer

De sloop van de ruïne van de Dikke Tinne

1778

In 1567 was het kasteel de Dikke Tinne in verval geraakt. De drost van Hattem, Johan van Holtzwiller, schreef al eerder in een brief aan Filips van Lalaing (1510-1555), stadhouder van Gelderland, over gebreken die erop duidden dat het kasteel niet meer werd gebruikt als bewoonde residentie. Misschien was het toen alleen nog een vluchtburcht, een kasteel waarin de bevolking in geval van nood en oorlogsdreiging onderdak vond.

In verval

Het metselwerk van het kasteel was door het water van de omringende gracht aangetast. De drost schreef dat een van de vier torens ‘dichtgemaakt’ moest worden. Waarschijnlijk betekent dit, dat het dak van de toren kapot was, of misschien wel verdwenen. Ook waren er ettelijke vensters kapot, zodat ‘s winters sneeuw en regen naar binnen sloegen, waardoor balken en planken verrotten.

Steenopbrengst

Toen in 1778 de resten van de hoofdburcht werden gesloopt, werd in opdracht van het stadsbestuur becijferd wat er aan steenopbrengst mocht worden verwacht. ‘Het casteel van Hattem genaamt de Dikke Tinne, alles boven de gront (…) 80 voeten hoog, ieder voet 4 laagen steen, maakt 320 lagen in de hoogte. 23.5 steen is de muur dik. De plattegront in 8 verdeelt op de midden van de dikte van de muur, dan is 1/8 deel 41 lagen steen, dus is 6/8 246 lagen, dat maakt uit te samen 1.849.920 steenen. (…) Dan blijft nog 2 parten van de muur, nr 7 en 8 over met de 3 verwulfde zullen ongeveers zijn 200.000 steen, welke voor de opene gaaten worden gereekent. Het is denkelijk datter wel ¾ deel steen in den gront is als boven’.

Na de sloop

Het ging dus om een aanzienlijke steenmassa. De voorburcht en de slotpoort bleven als gewone huizenblokken tot in de 19e eeuw in stand. In 1899 brandde het grootste deel van de Adelaarshoekzijde van de voorburcht af, met uitzondering van het Spookhuis. De Koestraatzijde sneuvelde in de jaren vijftig en zestig van de 20e eeuw bij een grootscheepse stadssanering. Er kwam een rij kleine woningen voor in de plaats. Achter deze woningen is later de enige ondergrondse parkeergarage van Hattem gerealiseerd.

Bron: https://mijngelderland.nl/inhoud/canons/hattem/de-sloop-van-de-ruïne-van-de-dikke-tinne