Schijnwerpers!

De Noord-Veluwe, een mooi stuk Nederland dat het verdient om de schijnwerpers op te zetten. Een regio waar bewoners zich actief inzetten voor het leefbaar houden van hun eigen omgeving. Zij organiseren culturele activiteiten met de kwaliteit van de lokale betrokkenheid. De culturele onderwijsprojecten zorgen voor het tot bloei laten komen van de culturele interesse van leerlingen.

Bekijk meer

De Dikke Tinne

1404

Nadat Hattem vóór 1299 stadsrechten kreeg, besloot Reinoud IV, ‘herthoge van Gulick ende van Ghelre’, dat enkele strategisch gelegen centra op de Veluwe versterkt dienden te worden. Dit om het gezag van de hertog te onderstrepen. Voor Hattem betekende dat de bouw van een kasteel, de Dikke Tinne.

De bouw

In 1403 en 1404 begon aan de zuidkant van Hattem de bouw van een grote burcht met bijbehorende voorburcht, bijgebouwen en gracht. Al in de 14e eeuw had de hertog aan de rand van zijn grensvesting Hattem voor zichzelf een kasteel laten bouwen, dat in 1404 werd gemoderniseerd. Die modernisering behelsde onder meer twee torens met een doorsnee van 21 meter en muren van 6 tot 7 meter dik, uniek in Nederland. Vanwege de enorme omvang van de ‘grote thoern’ werd het kasteel Sint-Lucia later de Dikke Tinne genoemd. Regelmatig woonde de hertog er enkele weken met zijn hofhouding.

De timmerhof

In 1409 en in 1414 werden leien aangevoerd, zeer waarschijnlijk voor het dak van de burcht en voor de torens. In 1414, het jaar waarin veel aan het kasteel werd verbouwd, werden stenen gelegd tussen de twee delen van de dubbele toegangspoort tot de hoofdburcht. In de hoofdburcht werden estrikken (= gebakken vloertegels) gelegd. Op de voorburcht lag bij de Slotpoort de ‘timmerhof’, woonde het handwerkpersoneel en was de stoeterij, die aanzienlijk geweest moet zijn. Het kasteel was voor voedsel deels zelfvoorzienend. Er werden bijvoorbeeld karpers uitgezet in de slotgracht, en bovendien had de hertog vissers en jagers in dienst. Buiten het kasteel, op het grondgebied van Hattem, was grond gepacht voor een moestuin en landbouw.

Verval

Midden 16e eeuw, in 1567, was het kasteel in verval. Drost Johan van Holtzwiller (vertegenwoordiger van de bisschop van Utrecht) schreef Philips van Lalaing, stadhouder van Gelderland, over allerlei gebreken die erop duiden dat het kasteel niet meer als woonverblijf in gebruik was, en dat een van de vier torens ‘dichtgemaakt’ moest worden. Waarschijnlijk was het dak van de toren kapot, of misschien wel helemaal verdwenen. Ook waren er ettelijke vensters kapot, zodat regen en sneeuw naar binnen sloegen en balken en planken verrotten. In de 16de eeuw kreeg de Dikke Tinne een subsidie in natura voor het metselen van stenen gevels en het maken van harde in plaats van rieten daken. Dit gebeurde om de gevolgen van stadsbranden te beperken

Bron: https://mijngelderland.nl/inhoud/canons/hattem/de-dikke-tinne